Frans Westenbrink ging op zoek naar gewone, maar toch ook wel weer
buitengewone mensen. Mensen uit Drenthe en, op één na, allemaal geboren voor
1940. Mensen die op de tram door Drenthe hebben gereden en zich konden redden
zonder auto, telefoon, radio en elektriciteit. Mensen met 'gewone' beroepen: een
kleuterjuffrouw, turfgravers, een kampbewaarder, een schaapherder, muzikanten,
een winkelier, een oberkelner, huisvrouwen, een gezinsverzorgster, een
mijnwerker, arbeiders, een huisschilder en boeren.
De grote thema's komen
erin voor zoals: industrialisering, de oorlog en de grote veranderingen in het
landschap door vervening, ontginning, schaalvergroting en ruilverkaveling. Al
deze levensverhalen samen geven een helder beeld van de Drentse samenleving in
de vorige eeuw.
De plaatsen waaruit de 'buiten' gewone Drenten komen,
zijn
Jintie Flik-Luten uit Ruinen
Jan en Annie Pijnaker uit
Erica
Grietje Buist uit Schoonoord
Wessel Luten uit Ruinen
Hans en
Reiny Lamers uit Assen
Geert en Tinus Feiken uit Smilde
Joost Prinsen uit
Schoonoord
Barie Hartsuiker uit Meppel
Mien van der Heide-Hidding uit
Foxwolde/Roderwolde
Job Klein uit Schoonoord
Hans en Mien Radix uit
Borger
Jetze en Roelie de Vries uit Vledder
Jan en Zwaantje Kolthof uit
Gieterveen
Bennie Verhagen uit Wilhelminaoord
Gaaigie en Deli Hans uit
Schoonebeek
Het boek is in het Nederlands geschreven. De Drenten worden in
hun eigen taal geciteerd.
|